Archief voor 17 juni 2011

Mr. Bojangles

Mr. Bojangles 26 mei 2003 - 17 juni 2011

Mr. Bojangles hield van eten. Toen hij nog maar een paar dagen oud was en ik hem voor het eerst zag, was hij nog de kleinste van nest, maar dat heeft hij goed ingehaald. Als hij zijn eten niet op tijd kreeg, trakteerde hij me op een klaag- en jankconcert. Hij hield niet zo van rennen, maar als ik hem riep voor het eten, verbeterde hij elke keer weer het wereldrecord sprinten voor katten.

Mr. Bojangles hield niet van de stofzuiger. Als ik moest stofzuigen dan vluchtte hij naar het balkon of ging hij onder het bed zitten totdat ik klaar was en de kust weer veilig was. Hij hield wel van het bed opmaken. Dan joeg hij achter de wapperende deken aan en het liefst ging hij zich uitgebreid nestelen op schoon beddengoed.

Mr. Bojangles hield van buiten zijn. Vroeger kon hij echt naar buiten, maar toen hij met mij mee naar Amsterdam verhuisde kon hij alleen nog maar op het balkon zitten. Daarom ben ik nu ook op zoek naar een huis met een tuin, zodat hij weer buiten kon spelen. Ik zei ook altijd tegen hem: “Vriend, binnenkort kun je weer naar buiten achter de vogels aan. Dat beloof ik je”. Ik vertelde hem dat vanmorgen nog, toen hij in zijn mandje naast me op de passagiersstoel zat.

Mr. Bojangles hield van speelgoedmuizen van bont, maar niet van de zwarte. Die verzoop hij in zijn drinkbakje.

Mr. Bojangles hield niet zo van Bada Bing. Die kon hij goed terroriseren door altijd Bing’s slaapplek op te eisen en achter hem aan te jagen. Maar hij kon hem ook opeens gaan wassen en soms sliepen ze tegen elkaar aan op de bank.

Mr. Bojangles hield niet zo van knuffelen. Daarom was het extra bijzonder als hij af en toe toch op mijn schoot kwam zitten en me opzocht. Dan kon hij wel een uur zitten spinnen en kwijlen.

Mr. Bojangles was heel stout en eigenwijs. Als ik even niet keek, klom hij op het aanrecht om eten te jatten en als ik dan heel hard riep, wachtte hij altijd tot het laatste moment met van het aanrecht afspringen.

Mr. Bojangles wist me altijd te troosten als ik verdrietig was. Dan kwam hij wel bij me zitten en liet hij zich aaien.

Mr. Bojangles had tig bijnamen. We noemden hem wel Mr. BJ, Jo Bangles, Joey B, het grote zwarte monster, Mr. Beaujolais, Mr. Grumpy, Mr. Boulimia, Beau van Erven Jengles, Panter en echte vrienden mochten hem gewoon Bojangles noemen.

Anderhalve week geleden begon hij moeilijk te ademen. Maar verder at en gedroeg hij zich normaal en de dierenarts dacht eigenlijk dat hij een griepje had en schreef antibiotica voor. Helaas knapte hij daar niet van op. Omdat ik hem niet alleen wilde laten, is hij het Pinksterweekend nog met mij en mijn vrienden een weekendje mee naar Friesland geweest. Daar liep hij verder ook nog normaal rond, at goed en rende nog blij achter de vliegjes aan. Alleen het alleen slapen vond hij niet zo’n succes. ’s Nachts moest hij erg huilen, maar toen ik bij hem op de bank ging liggen, was het meteen goed en heeft tevreden naast mij geslapen.
Eergisteren ben ik toch nog maar weer een keer naar de dierenarts gegaan. Ik had al een paar keer gebeld dat ik me zorgen maakte, en ik mocht weer langs komen.
Toen ik met hem in zijn mandje naar de dierenarts liep, dacht ik nog dat het goed zou komen. Pas toen de dierenarts bezorgd keek omdat hij in een week tijd weer een halve kilo was afgevallen, begon ik me ernstige zorgen te maken. Hij kreeg nog een injectie en moest blijven ter observatie. ’s Avonds mocht ik hem weer ophalen. “Ik ben er niet gerust op”, zei de dierenarts. Ik moest een afspraak bij de specialist maken, maar eigenlijk wist ik al dat het mis was.
De afgelopen twee dagen zat hij onder de bank, maar kwam er af en toe onderuit en dan mocht ik hem even knuffelen. Totdat hij weer begon te piepen omdat hij zo benauwd was.
Gisteravond kreeg hij het lekkerste voer dat ik kon vinden en dat heeft hij nog heerlijk opgegeten. Ik heb hem de hele dag snoepjes gevoerd. Hij sprong zelfs nog een keer op m’n schoot om aangehaald te worden.
Vanmorgen moest ik een scopie van zijn neus en keel laten maken. In zijn mandje ging hij mee naar de kliniek. Toen ik hem van de trap af tilde, had ik al een naar gevoel dat dat wellicht wel eens de laatste keer zou kunnen zijn. In de auto sprak ik hem nog een keer toe. “Ik hou van je Mr. B, maar ik moet je misschien laten gaan. Dat doe ik dan niet omdat ik je niet lief vind, maar juist omdat ik ontzettend van je hou en niet wil dat je pijn hebt. Maar als je beter wordt, dan beloof ik je dat je binnenkort weer buiten kunt spelen”.

Hij gromde tegen de dierenarts en haar assistente. Maar ik mocht hem nog wel gewoon aaien. Zijn grote groene ogen keken me aan met een vertrouwen dat alleen dieren kunnen uitstralen. Ik gaf hem nog een kus op zijn hoofd voordat hij onder narcose ging. Tijdens de scopie ben ik bij hem gebleven.
“Het is helemaal mis”, zei de dierenarts. Hij heeft lymfeklierkanker en een enorm gezwel. Ik hoefde het niet te zien. Ik geloofde het wel. Dat ik dat vreselijke moest beslissen, daar had ik al rekening mee gehouden. Maar toen ik het echt moest zeggen, was het vreselijk. “Dan laat ik hem gaan”.
De dierenarts verzekerde me nog dat dat een goede keuze was, omdat hij anders binnen een paar dagen zou stikken en dat behandeling alleen maar zielig zou zijn.

Toen hij de overdosis kreeg, aaide ik hem. Even leek het nog of hij spinde.

Het huis met tuin heeft hij niet meer mee mogen maken, maar in de kattenhemel is er vast genoeg ruimte om te spelen.
Ik ga mijn grote, zwarte, dikke, grumpy, stoute, lieve, mooie maatje, waar ik zo veel mee heb mee gemaakt en die mij zo vaak getroost en opgevrolijkt heeft, vreselijk missen.

‘Als je echt van hem houdt, dan moet je hem laten gaan’, maar dat is wel verdomde moeilijk.

11 reacties

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.